Toelichtingen Zelfevaluatie Onderdeel C

 

 

 

 

Onderdeel C (verrichten)


 

C 1. Van nieuwe vrijwilligers is bekend wat hun motieven en beschikbaarheid zijn

Nieuwe vrijwilligers hebben een bepaalde motivatie om het vrijwilligerswerk te gaan doen, en hebben maar beperkt tijd beschikbaar. Om te voorkomen dat de organisatie de nieuwe vrijwilliger demotiveert, is het belangrijk om aan te sluiten bij de motivatie en beschikbaarheid van de vrijwilliger. Hiervoor is het nodig dat de organisatie in de procedure van werving, intake en plaatsing de motieven en beschikbaarheid in beeld brengt en registreert.

Aan welk bewijsmateriaal kan je bij deze stelling denken:

Intakeformulier; inschrijfformulier; passage in vrijwilligersbeleid; registratiesysteem; correspondentie met nieuwe vrijwilligers

 

 


C 2. Van nieuwe vrijwilligers is bekend wat hun kennis en vaardigheden zijn

Nieuwe vrijwilligers hebben specifieke kennis en vaardigheden, die in het vrijwilligerswerk ingezet kunnen worden. Om te voorkomen dat de organisatie de nieuwe vrijwilliger demotiveert én om te voorkomen dat de organisatie kennis en vaardigheden onvoldoende inzet en benut, is het belangrijk om de kennis en vaardigheden van nieuwe vrijwilligers in beeld te brengen en te registeren. De organisatie moet dit tijdens de procedure van werving, intake en plaatsing regelen. Dit kan zij bijvoorbeeld doen door hier vragen over op te nemen in het intakeformulier en dit te registreren in hun vrijwilligersadministratie.

Aan welk bewijsmateriaal kan je bij deze stelling denken:

Intakeformulier; inschrijfformulier; passage in vrijwilligersbeleid; registratiesysteem; correspondentie met vrijwilligers


 

C 3. Elke nieuwe vrijwilliger krijgt een contactpersoon binnen de organisatie

Nieuwe vrijwilligers moeten de organisatie leren kennen en zich een plek verwerven. Hiervoor helpt het als de nieuwe vrijwilliger een contactpersoon krijgt toegewezen bij binnenkomst. De contactpersoon voert een kennismakingsgesprek met de vrijwilliger en is voor de vrijwilliger vraagbaak en aanspreekpunt in de organisatie. Vice versa kan de contactpersoon het communicatiekanaal zijn voor de organisatie als het zaken met de vrijwilliger wil bespreken. De contactpersoon kent de organisatie en kan de vrijwilliger hierin wegwijzen en ondersteunen. Met de inzet van een contactpersoon vergroot de organisatie de kans dat een nieuwe vrijwilliger zich bindt aan de organisatie en niet voortijdig afhaakt.

Aan welk bewijsmateriaal kan je bij deze stelling denken:

Communicatiestructuur; Profiel Contactpersonen voor vrijwilligers; Bereikbaarheid contactpersoon

 
C 4. Nieuwe vrijwilligers worden opgevangen, ingewerkt en vertrouwd gemaakt met de organisatie

Nieuwe vrijwilligers zijn niet bekend met hoe de organisatie werkt en in elkaar zit, welke taken zij gaan of kunnen doen en hoe die taken uitgevoerd moeten worden. Om de vrijwilliger te helpen om de weg te vinden in de organisatie en bekwaam te worden in de werkzaamheden is er kennisoverdracht, instructie en begeleiding nodig. Goed inwerken en vertrouwd maken legt de basis van duurzame en kwalitatief goede inzet van de vrijwilliger. Met goede informatie en instructie in direct contact werkt de organisatie aan tevreden en competente vrijwilligers.

Aan welk bewijsmateriaal kan je bij deze stelling denken:

Inwerkplan met aandachtspunten wat er bij het inwerken aan de orde komt; passage in vrijwilligershandboek of vrijwilligersbeleid

 
C 5. Er is begeleiding voor de vrijwilligers bij de uitvoering van hun taken

Na de eerste inwerkperiode met instructies zijn vrijwilligers niet altijd meteen helemaal bekwaam voor hun taak (of worden dan ook nooit). Deze vrijwilligers hebben langer of zelfs permanent een vorm van begeleiding nodig om goed te kunnen functioneren. Dat kan in de vorm van ‘coaching on the job’ zijn, maar bijvoorbeeld ook in de vorm van een maandelijks gesprek tussen de begeleider of leidinggevende en de vrijwilliger. De vorm, inhoud en frequentie van de begeleiding moet afgestemd zijn om de vrijwilliger en de eisen die de taak stelt.

Aan welk bewijsmateriaal kan je bij deze stelling denken:

Passage in vrijwilligersbeleid; vrijwilligersovereenkomst; functieomschrijving begeleiders; verslagen van evaluatiegesprekken met vrijwilligers; verslagen van vergaderingen en gesprekken met team en/of vrijwilligers

 
C 6. Met de vrijwilligers worden afspraken gemaakt over de doelen en resultaten van hun inzet

Vrijwilligerswerk leidt tot concrete activiteiten, diensten en producten. Wil een vrijwilliger goed zijn/haar werk kunnen doen, dan moet hij/zij weten welke doelen en resultaten behaald moeten worden. De organisatie doet er goed aan gewenste doelen en resultaten met vrijwilligers te bespreken en hier afspraken over te maken en vast te leggen. Afspraken maken over doelen en resultaten is niet alleen nuttig met startende of tijdelijke vrijwilligers, maar ook met ‘vaste’ vrijwilligers die bijvoorbeeld andere taken gaan doen of andere uren gaan werken.

Aan welk bewijsmateriaal kan je bij deze stelling denken:

Vrijwilligersovereenkomst; functieomschrijving; intakeverslag; verslag van evaluatiegesprek; correspondentie met vrijwilligers


C 7. Vrijwilligers worden ingelicht over voor hen relevante omgangsregels

Vrijwilligers moeten weten op wat voor manier ze zich horen te gedragen (in specifieke situaties en/of met specifieke mensen). Dat kan gelden voor de omgang tussen vrijwilligers onderling, tussen vrijwilligers en beroepskrachten en tussen vrijwilligers en cliënten/klanten/bezoekers/bewoners/etc. Met name bij vrijwilligerstaken waarbij veel contact is tussen vrijwilligers en potentieel kwetsbare cliënten (bijvoorbeeld kinderen, ouderen, mensen met een handicap, dieren) is het van groot belang dat de organisatie vrijwilligers op een goede manier inlicht over omgangsregels.

Aan welk bewijsmateriaal kan je bij deze stelling denken:

Passage in handboek voor vrijwilligers; passage in vrijwilligersfolder; Huishoudelijk reglement; huisregels; regeling of protocol ongewenst gedrag; verslag van vrijwilligersoverleg waarin omgangsregels aan de orde zijn geweest; inwerkprotocol; correspondentie met vrijwilligers


C 8. Vrijwilligers worden aangesproken op ongewenst gedrag

Ongewenst gedrag betekent het niet naleven van de eerdergenoemde omgangsregels, of gedrag dat algemeen geldend als ongewenst wordt gezien (bijvoorbeeld diefstal of brandstichting). Vrijwilligers die ongewenst gedrag vertonen, moeten daar op aangesproken worden. De organisatie moet regelen, vastleggen en communiceren op welke wijze en door wie vrijwilligers worden aangesproken op ongewenst gedrag (en wat de eventuele maatregelen en sancties zijn). Het is aan te raden om schriftelijk vast te leggen (en te delen met de betreffende vrijwilliger) om welke reden de vrijwilliger is aangesproken, hoe het gesprek is verlopen en welke afspraken er zijn gemaakt.

Aan welk bewijsmateriaal kan je bij deze stelling denken:

Passage in vrijwilligers handboek; vrijwilligersovereenkomst; correspondentie over ongewenst gedrag met vrijwilliger; verslag van correctiegesprek; verslag van slecht-nieuwsgesprek; verslag van exitgesprek; correspondentie met vrijwilligers


C 9. Vrijwilligers krijgen informatie die van belang is voor de uitvoering van hun taken

Het is van belang dat vrijwilligers goed geïnformeerd worden, zodat zij hun taken naar behoren kunnen uitvoeren. Dit bevordert de deskundigheid en betrokkenheid, en geeft duidelijkheid over de eisen van hun taak. In het vrijwilligersbeleid moet opgenomen zijn over welke zaken en op welke wijze de organisatie de vrijwilliger informeert. In de praktijk van alledag moet de organisatie communicatiekanalen zoals een prikbord, een evaluatiegesprek of intranet inzetten om de vrijwilliger te informeren.

Aan welk bewijsmateriaal kan je bij deze stelling denken:

Inwerkprogramma; verslagen van intake- en evaluatiegesprekken; passage in vrijwilligersbeleid; intranet; nieuwsbrief; contactpersonen; social media; geactualiseerd vrijwilligerscontract; correspondentie met vrijwilligers

 
C 10. Begeleiders/leidinggevenden beschikken over kennis en vaardigheden om vrijwilligers te motiveren en ondersteunen

Om vrijwilligers te ondersteunen moeten begeleiders en leidinggevenden uitgerust zijn met relevante kennis en vaardigheden. Zo moet een begeleider of leidinggevende zicht hebben op de motieven en competenties van vrijwilligers, in staat zijn vrijwilligers te begeleiden volgens de individuele behoeften en te ondersteunen bij specifieke vragen. Hiervoor zijn gespreks- en coachingsvaardigheden nodig, maar kunnen ook specifieke kennis en vaardigheden op het gebied van vrijwilligersmanagement gevraagd zijn. De organisatie kan in haar personeelsbeleid sturen op deze competenties, bijvoorbeeld in het functieprofiel, maar ook in scholingsactiviteiten en tijdens vergaderingen.

Aan welk bewijsmateriaal kan je bij deze stelling denken:

Certificaten en verslagen van relevante opleidingen en cursussen; een tevredenheidsonderzoek onder vrijwilligers; verslagen van evaluatiegesprekken; functie-eisen in het functieprofiel


C 11. Vrijwilligers krijgen relevante informatie over de algehele organisatie

Vrijwilligers hebben behoefte aan duidelijke informatie over de organisatie bij het begin van hun werkzaamheden, maar willen uiteraard ook op de hoogte gehouden worden van eventuele veranderingen. Zo creëer je duidelijke verwachtingen en dat komt alleen maar de duurzaamheid ten goede. Communicatie over de organisatie kan bijvoorbeeld tijdens het intakegesprek of een evaluatiegesprek, via contactpersonen, nieuwsbrieven, teamvergaderingen, etc.

Aan welk bewijsmateriaal kan je bij deze stelling denken:

Verslagen van intakegesprek/evaluatiegesprek; nieuwsbrief; intranet; personeelsblad/ledenblad; passage in vrijwilligersbeleid; correspondentie met vrijwilligers


C 12. Vrijwilligers hebben inspraak in de invulling van hun taken en werkomstandigheden

Vrijwilligers nemen hun eigen kwaliteiten, ambities en ideeën mee. Voor de organisatie en voor de vrijwilliger is het goed om hier oog en oor voor te hebben. Ruimte bieden voor inspraak zorgt er voor dat vrijwilligers zich meer erkend en serieus genomen voelen en zich daardoor eerder een onderdeel van de organisatie voelen. Bovendien helpt het bij het verbeteren van de taakuitvoering en werkomstandigheden. De organisatie kan inspraak procedureel vormgeven (bijvoorbeeld via een enquête of vrijwilligersraad), maar ook heel informeel (bijvoorbeeld tijdens de koffiepauze) en via alle mogelijke tussenvormen (bijvoorbeeld tijdens een evaluatiegesprek).

Aan welk bewijsmateriaal kan je bij deze stelling denken:

Verslagen van werk/teamoverleg; verslagen van functioneringsgesprek/evaluatiegesprek; vrijwilligerscontract; besluitvormingsprocedures; passage in beleidsplan organisatie

 
C 13. Onze organisatie heeft oog voor de diversiteit van vrijwilligers (verschillen in leeftijd, geslacht, opleidingsniveau, etniciteit e.d.)

Veel organisaties waar vrijwilligers werken hebben een maatschappelijke functie, zoals bijvoorbeeld een ziekenhuis of een toneelvereniging. Het is voor de aansluiting met ‘de achterban’ (cliënten, leden, bezoekers, etc.) goed als de vrijwilligers een afspiegeling zijn van deze achterban. Voor een organisatie als een ziekenhuis betekent dit waarschijnlijk een grotere diversiteit dan bij bijvoorbeeld een toneelvereniging. Diversiteit zorgt voor een grotere herkenbaarheid en toegankelijkheid, helpt bij flexibiliteit in beschikbaarheid van vrijwilligers, brengt meer competenties in de organisatie en helpt het bij het werven van nieuwe vrijwilligers.

In het vrijwilligersbeleid en in de wijze waarop vrijwilligers geworven, begeleidt, ingezet en gewaardeerd worden kan de organisatie werk maken van diversiteit. Bijvoorbeeld door maatregelen te nemen om toegankelijk te zijn voor mensen met een beperking, door informatie toegankelijk te maken voor anderstaligen of laaggeletterden, of door vrijwilligers flexibel op maat in te roosteren.

Aan welk bewijsmateriaal kan je bij deze stelling denken:

Passage in organisatiebeleidsplan; passage in vrijwilligersbeleid; vrijwilligersovereenkomst; overzicht van vrijwilligersbestand; wervingsfolder; wervingsbeleid; rooster; afspraken vastgelegd in verslag van evaluatiegesprek


C 14. Vrijwilligers krijgen de ruimte om verantwoordelijkheid te nemen (en hun betrokkenheid wordt gestimuleerd)

Vrijwilligers die verantwoordelijkheid willen en kunnen dragen -op welk niveau dan ook- functioneren beter als ze daartoe de ruimte krijgen. Eigen verantwoordelijkheid stimuleert de betrokkenheid en helpt daarmee bij het behoud van vrijwilligers. De organisatie doet er goed aan om -binnen de kaders van het organisatiebeleid en de taak van de vrijwilliger- vrijwilligers te stimuleren om eigen verantwoordelijkheid te nemen. Dit stimuleren gaat over het algemeen het best in een persoonlijk gesprek (bijvoorbeeld tijdens een evaluatiegesprek), maar kan ook uitgedragen worden tijdens bijvoorbeeld een teamvergadering.

Aan welk bewijsmateriaal kan je bij deze stelling denken:

Verslagen van werk/teamoverleg; verslagen van functioneringsgesprek/ontwikkelingsgesprek; correspondentie met vrijwilligers


C 15. Onze organisatie stemt haar vorm van waardering en beloning af op de wensen en behoeften van vrijwilligers

Waardering is voor iedereen van belang -of je nu vrijwilliger bent of niet- maar vraagt om maatwerk. Wat voor de één een feest is, is voor de ander een straf. Wat voor de ene taak passend is, is voor de andere taak te veel of te weinig. Waardering en beloning op maat laat zien dat vrijwilligers en het werk dat zij doen belangrijk is en inhoud heeft. Het zorgt voor meer tevreden vrijwilligers, die zich gewaardeerd voelen en wellicht langer aan de organisatie verbonden blijven.

Aan welk bewijsmateriaal kan je bij deze stelling denken:

Verslagen van evaluatiegesprekken; uitnodigingen voor deskundigheidsbevordering en personeelsbijeenkomsten; enquête waaruit blijkt dat naar een passende vorm van waardering gevraagd wordt; regeling van onkosten- of vrijwilligersvergoedingen; nieuwsbrieven, voordrachten voor vrijwilligersprijzen en lintjes; correspondentie met vrijwilligers

 
C 16. De vrijwilliger krijgt voor aanvang van de werkzaamheden een veiligheidsinstructie

Vrijwilligerswerk kan risico’s met zich meebrengen. Te denken valt aan werken met gereedschappen, in aanraking kunnen komen met gevaarlijke stoffen, risicovolle situaties met cliënten/bezoekers, etc. Organisaties moeten ervoor zorgen dat de vrijwilliger een veilige werkplek heeft, niet in de laatste plaats omdat vrijwilligerswerk voor de Arbowet ‘gewoon’ werk is. Dit vraagt van de organisatie dat zij voor aanvang van de werkzaamheden aan de vrijwilliger een veiligheidsinstructie geeft.

Aan welk bewijsmateriaal kan je bij deze stelling denken:

Inwerkprogramma; documenten Arbobeleid; risico-inventarisatie; veiligheidsinstructies; vrijwilligerscontract; vrijwilligersbrochure; passage in vrijwilligersbeleid; functieomschrijving


C 17. Onze organisatie informeert vrijwilligers over de regels op het gebied van belastingen en sociale wetgeving rondom vrijwilligerswerk (bijvoorbeeld onkostenvergoedingen, werken met behoud van een uitkering, etc.)

Het doen van vrijwilligerswerk kan juridische, fiscale of financiële aspecten hebben. Denk aan het behoud van een uitkering of de maximale vergoeding die een vrijwilliger belastingvrij mag krijgen. De organisatie moet de vrijwilligers over deze aspecten informeren om te voorkomen dat het doen van vrijwilligerswerk een conflict oplevert met het ‘inkomen’ van iemand of met de plicht om ‘beschikbaar te zijn voor betaald werk’. Informeren van vrijwilligers kan daarbij positief ingezet worden, bijvoorbeeld door vrijwilligerswerk aan te bieden als een opstap tot betaald werk.  

Goed informeren vraagt van de organisatie dat zij haar kennis voortdurend actualiseert omdat wet- en regelgeving regelmatig verandert.

Aan welk bewijsmateriaal kan je bij deze stelling denken:

Passage in vrijwilligersbeleid; passage in vrijwilligershandboek; informatie op intranet; verslagen van vrijwilligersbijeenkomsten; vragen in het intakeformulier; folder over ‘regelzaken’; vergoedingenbeleid; (optioneel) het hebben van een ANBI-status; correspondentie met vrijwilligers


C 18. Onze organisatie biedt vrijwilligers de mogelijkheid hun kennis en vaardigheden verder te ontwikkelen

Vrijwilligerswerk vraagt specifieke kennis en vaardigheden en biedt vrijwilligers de mogelijkheid om dingen te leren. Organisaties kunnen werk maken van leermogelijkheden, bijvoorbeeld door vrijwilligers te coachen, te koppelen aan ervaren collega’s, verschillende soorten werk aan te bieden, cursussen aan te bieden, etc. Het bieden van leermogelijkheden helpt de vrijwilliger bij het vergroten van zijn mogelijkheden en kan ertoe bijdragen dat de motivatie van de vrijwilliger wordt versterkt.

Aan welk bewijsmateriaal kan je bij deze stelling denken:

Scholingsbeleid; informatie over trainingen en cursussen; verslagen van evaluatiegesprekken; verslagen van teamvergaderingen; correspondentie met vrijwilligers; correspondentie met vrijwilligers

 
C 19. Onze organisatie is op de hoogte van eventueel veranderende tevredenheid, wensen en mogelijkheden van vrijwilligers

Om vrijwilligers zo goed en prettig mogelijk in te zetten én aan je organisatie te binden, moet de organisatie voortdurend inspelen op de individuele wensen en behoeften van de vrijwilliger. Is de vrijwilliger nog steeds tevreden over zijn/haar vrijwilligerswerk? Zijn er persoonlijke omstandigheden en/of wensen die van invloed kunnen zijn op het werk van de vrijwilliger? In gesprekken met vrijwilligers moeten deze vragen een plek hebben, en bevindingen en eventueel gemaakte afspraken moeten worden vastgelegd.

Aan welk bewijsmateriaal kan je bij deze stelling denken:

Intakeformulier; evaluatieformulier; verslagen van evaluatiegesprekken; correspondentie met vrijwilligers


C 20. Onze organisatie speelt in op de veranderde wensen en mogelijkheden van vrijwilligers

In stelling C19 is aan bod geweest, dat het goed is als de organisatie op de hoogte is en blijft van eventueel veranderende tevredenheid, wensen en mogelijkheden van vrijwilligers. Stelling C20 gaat hierop verder, namelijk: zorgt de organisatie voor bijvoorbeeld andere taken, andere werktijden of andere vormen van begeleiding als wensen en mogelijkheden van vrijwilligers daadwerkelijk veranderd zijn? In de taken en begeleiding van vrijwilligers moeten nieuw gemaakte afspraken worden waargemaakt.

Aan welk bewijsmateriaal kan je bij deze stelling denken:

Verslagen van evaluatiegesprekken; (aangepaste) afspraken met vrijwilligers; correspondentie met vrijwilligers


C 21. Vrijwilligers worden ondersteund bij het verbeteren van hun prestaties

Bij het begeleiden van vrijwilligers is het niet alleen van belang dat de vrijwilligers tevreden zijn, het is ook van belang dat zij goede prestaties kunnen leveren, dat zij hun werkzaamheden op goed niveau kunnen uitvoeren. Dat betekent niet alleen ondersteunen op de relatie en motivatie, maar ook op de taak. De organisatie moet in beeld brengen hoe de vrijwilliger functioneert en wat hem of haar kan helpen om beter te functioneren. Op basis daarvan kan de organisatie ondersteuning bieden, bijvoorbeeld in de vorm van een cursus, coaching on the job, meelopen met een ervaren collega, etc.

Aan welk bewijsmateriaal kan je bij deze stelling denken:

Passage in vrijwilligersbeleid en/of -handboek; verslagen van evaluatiegesprekken; informatie over workshops, intervisie; scholingsplan; correspondentie met vrijwilligers


C 22. Begeleiders/leidinggevenden kunnen door bijvoorbeeld cursussen hun kennis en vaardigheden ten aanzien van het werken met vrijwilligers vergroten

Leiding of begeleiding geven aan vrijwilligers vraagt specifieke kennis en kunde. Goed opgeleide begeleiders zijn van grote meerwaarde voor de organisatie en voor het functioneren van de vrijwilligers. Trainingen en workshops, maar ook bijvoorbeeld intervisie en werkoverleg geven leidinggevenden, coördinatoren en begeleiders inzicht in het eigen functioneren en helpen bij een doelgerichte aanpak op maat van de vrijwilliger. Trainingen en workshops kunnen heel specifiek over vrijwilligersmanagement gaan, maar bijvoorbeeld ook over gesprekstechnieken, coaching of situationeel leidinggeven.

Aan welk bewijsmateriaal kan je bij deze stelling denken:

Uitnodigingen voor workshops/trainingen; evaluatieverslagen van workshops/trainingen; certificaten en diploma’s van workshops/trainingen; scholingsbeleid; verslagen van werkgroepen, intervisiegroepen en teams; verslagen van functionerings- en doelstellingsgesprekken;

 

C 23. Onze organisatie houdt bij hoeveel vrijwilligers (voor welke werkzaamheden) vertrekken

In de registratie van vrijwilligers kan de organisatie bijhouden hoeveel vrijwilligers er vertrekken, indien gewenst uitgesplitst naar verschillende werkzaamheden. Hiermee houdt de organisatie zicht op de bezetting en krijgt informatie over het verloop en de eventuele wenselijkheid om te gaan werven. Mocht blijken dat voor specifieke taken het verloop hoger is dan voor andere taken, dan kan de organisatie daar in het vrijwilligersbeleid werk van maken. Bijvoorbeeld door te gaan werven op specifieke competenties en beschikbaarheid, of door het aantrekkelijker maken van de werkzaamheden of het splitsen van taken.

Aan welk bewijsmateriaal kan je bij deze stelling denken:

Passage in het vrijwilligersbeleid; uitdraai vrijwilligersregistratie; exitformulieren; verslagen van exitgesprekken

 
C 24. Bij vertrek van de vrijwilligers is de overdracht van taken en verantwoordelijkheden geregeld

Vrijwilligers voeren in veel gevallen werkzaamheden uit die door moeten gaan na het vertrek van een vrijwilliger. Om dit goed te regelen moet de organisatie (waar mogelijk samen met de vrijwilliger) in beeld brengen wat de vrijwilliger allemaal doet. Op basis daarvan kan de organisatie een overdracht van taken en verantwoordelijkheden organiseren, naar andere vrijwilligers of naar beroepskrachten. Dit is belangrijk voor een goede voortgang van de vrijwilligerswerkzaamheden en het is een goede afsluiting voor de vrijwilliger die vertrekt.

Aan welk bewijsmateriaal kan je bij deze stelling denken:

Passage in vrijwilligersbeleid en -handboek; overdrachtsverslagen; verslagen van exitgesprekken; checklist; correspondentie met vrijwilligers

 

C 25. Onze organisatie kent de redenen van vertrek van vrijwilligers

Er kunnen veel redenen zijn waarom een vrijwilliger vertrekt bij een organisatie. Dit kunnen redenen zijn bij de vrijwilliger zelf zoals een verhuizing, gezondheid of (veranderende) motivaties, maar ook redenen in de organisatie zoals onvoldoende of niet aansluitende begeleiding, ontbreken van passende werkzaamheden of een slechte werksfeer. De organisatie doet er goed aan om beide kanten in beeld te brengen bij het vertrek van de vrijwilliger. Dit doet recht aan de vrijwilliger en kan de organisatie inzicht geven in wat goed en minder goed gaat in de organisatie. Op basis van deze informatie kan de organisatie verbeteringen doorvoeren.

Aan welk bewijsmateriaal kan je bij deze stelling denken:

Passage in vrijwilligersbeleid en/of -handboek; verslagen van evaluatiegesprekken; exit formulier; verslagen van exitgesprekken; correspondentie met vrijwilligers


C 26. Onze organisatie vraagt vertrekkende vrijwilligers om feedback

Wanneer een vrijwilliger het vrijwilligerswerk beëindigt, kan hem/haar gevraagd worden hoe hij/zij het vrijwilligerswerk ervaarde, of hij/zij nog tips heeft voor de organisatie, etc. Dit kan tijdens een exitgesprek en door middel van een exit formulier. Dit doet recht aan de vrijwilliger en kan de organisatie inzicht geven in wat goed en minder goed gaat in de organisatie. Op basis van deze informatie kan de organisatie verbeteringen doorvoeren.

Aan welk bewijsmateriaal kan je bij deze stelling denken:

Passage in vrijwilligersbeleid en/of -handboek; exit formulier; verslagen van exitgesprekken; correspondentie met vrijwilligers


C 27. Vrijwilligers die vertrekken kunnen een getuigschrift of certificaat krijgen

Een vrijwilliger die vertrekt kan baat hebben bij een getuigschrift of certificaat. Hiermee kan hij/zij aan ‘de buitenwereld’ laten zien wat hij/zij gepresteerd en geleerd heeft tijdens het vrijwilligerswerk. Dit is een vorm van beloning, en kan van nut zijn bij bijvoorbeeld solliciteren of richting een uitkeringsinstantie. De organisatie kan in het getuigschrift of certificaat verklaren wat de vrijwilliger gedaan heeft, welke periode en welke uren de vrijwilliger gewerkt heeft, welke competenties hij/zij heeft ontwikkeld en dat hij/zij naar behoren gefunctioneerd heeft.

Aan welk bewijsmateriaal kan je bij deze stelling denken:

Passage in vrijwilligersbeleid; beloningsbeleid; EVC-formulieren; getuigschriften; certificaten; verslagen van evaluatie- of exitgesprekken