Staatssecretaris De Jager blijft verontrusten

03 september 2012

Medio juni hebben Vereniging NOV, NOC*NSF, Scouting Nederland en de samenwerkende Federaties  van Dorpshuizen de commissieleden Financiën van de Tweede Kamer gezamenlijk een reactie toegezonden op het Ontwerp Actualisatie van de Successiewet 1956. Zij hebben in de eerste schriftelijke vragenronde aandacht besteed aan de wijzigingsvoorstellen voor de ANBI-status en de introductie van het begrip Sociaal Belang Beogende Instelling (SBBI, ANBI staat voor Algemeen Nut Beogende Instelling).

 

Inmiddels heeft staatssecretaris De Jager de schriftelijke vragen beantwoord en zijn voorstellen nader toegelicht. Hierdoor is een duidelijker beeld ontstaan van de betekenis van de voorstellen. Op sommige onderdelen van onze reactie zijn wij gerustgesteld, maar op een aantal punten blijven we onze zorgen en bezwaren houden of zijn ze door de antwoorden zelfs versterkt.

 

Voor de tweede ronde schriftelijke vragen waartoe de Tweede Kamer heeft besloten, hebben wij voor onze achterban de belangrijkste punten nogmaals onder de aandacht gebracht. Deze zijn voorzien van een achttiental nieuwe vragen, die in onderstaande tekst zijn verwerkt, en die 9 september door de staatsecretaris beantwoord zouden kunnen worden. In de week van 22 september is er een laatste mondelinge bespreking, waarbij wij hopen dat een en ander recht gezet zal worden.

 

Vooral de onduidelijkheid rondom de ANBI’s en SBBI baart ons grote zorgen. Met name het ontbreken van heldere definities weegt zwaar. De Staatsecretaris zegt hierover dat hij geen definitie van een ANBI heeft, maar verwijst daarbij naar jurisprudentie, voor de SBBI wordt verwezen naar een vage omschrijving. Juist bij een dergelijke ingrijpende wijziging zou het de wetgever sieren bestaande jurisprudentie te vertalen in een heldere tekst. Burgers hebben recht op duidelijke wetgeving. Wij verzoeken u daar in de verdere behandeling van het wetsvoorstel nog veel aandacht aan te besteden.

 

Fundamentele discussie nodig over definitie

Naar onze mening is onvoldoende duidelijk gemaakt waarom het nodig is om naast de ANBI een aparte categorie SBBI in het leven te roepen. Het lijkt er op dat dit inhoudelijke debat, in ieder geval in de schriftelijke ronde, uit de weg gegaan wordt. Uit de antwoorden blijkt voor ons nog niet waarom het invoeren van een nieuwe categorie voor SBBI de voorkeur heeft boven het verruimen van de ANBI-status. Juist door het instellen van twee categorieën zal er veel discussie blijven over grenzen en definitiekwesties, zeker omdat deze ook in de wet niet helder gegeven worden, maar slechts een plaats krijgen in jurisprudentie.

 

Vraag 1: Realiseert de staatssecretaris zich  wat het morele effect is op een vrijwilliger als zijn inzet, anders dan door zijn doelgroep wordt ervaren, door de regering niet als Algemeen Nut wordt erkend?

Vraag 2: Is het niet wrang dat door misbruik van sommigen  de totale ANBI-structuur dient te worden aangepast, met alle negatieve gevolgen van dien? Staat de prioriteit van het controlerend aspect hier niet haaks op de wens van de regering het maatschappelijk middenveld te versterken?  

 

Veel potentiële SBBI’s dienen op verschillende terreinen ook het algemeen nut, naast het feit dat leden er zelf plezier aan beleven. Voor de vrijwilligers en betrokkenen aan deze organisaties is niet helder waarom hun bijdrage aan de maatschappij door de overheid niet ook binnen belastingwetgeving gewaardeerd kan worden.

 

Het criterium voor een SBBI is de bijdrage aan sociale cohesie. Veel potentiële SBBI’s leveren een veel bredere bijdrage aan de maatschappij en zijn van groot belang voor het uitvoeren van overheidsbeleid op andere specifieke terreinen: opvoeding, jeugd, gezondheid, bewegen, betrokkenheid bij natuur en burgerschap. Het beperken van een SBBI tot een organisatie welke van belang is voor sociale cohesie doet geen recht aan de bijdrage die organisaties aan de maatschappij leveren.

 

Vraag 3: Waarom wordt het ledencriterium onderscheidend tussen SBBI en ANBI? Waarom zou bijvoorbeeld de Cruijff foundation, zonder leden en ook zonder begeleidingsstructuur wel de ANBI-status kunnen verkrijgen wegens het van de straat houden en het laten bewegen van jeugd en een voetbalclub met leden, maar ook met een deskundige begeleidingsstructuur met hetzelfde nevendoel niet? Of een Scoutingclub?

 

Wij zijn het oneens met de Staatssecretaris dat voor de huidige ANBI’s niet veel wijzigt. Naar ons idee spreekt de Staatssecretaris zich zelf tegen wanneer hij zegt dat het particulier belang in feite geen enkele rol mag spelen bij de activiteiten van de ANBI (Blz 66). Er zijn talloze organisaties, waaronder veel verenigingen waar het eigen belang en het algemeen belang door elkaar lopen. Daar waar de Staatssecretaris het heeft over ‘de ANBI onderscheidt zich van de SBBI in zoverre dat in haar doelstelling en werkzaamheden het particuliere belang van de direct betrokken niet alleen niet in de eerste plaats komt, maar zelfs geen enkele rol speelt’, wekt verwarring en roept vragen op over grenzen. Het is onbegrijpelijk dat de wetgever bij een zo belangrijke wetswijziging bewust nalaat om belangrijke begrippen zelf te definiëren en dit aan de jurisprudentie overlaat.

 

Vraag 4: Uit de antwoorden van de Staatssecretaris komt naar voren dat het onderscheid tussen de SBBI en ANBI niet zozeer bepaald wordt door het sociale of algemene belang maar meer door het particuliere belang. Er is zelfs sprake van 100% algemeen belang voor ANBI’s. Voor vrijwel alle verenigingen geldt dat er ook een particulier belang is. Realiseert de staatssecretaris zich dat met dit voorstel vrijwel alle verenigingen worden uitgesloten van de ANBI-status?

Vraag 5: Is het de wens van de staatssecretaris dat alle sportclubs hun rechtsvorm wijzigen van vereniging in stichting met als doel het van de straat houden en meer bewegen van jeugd (of ruimer: van burgers) en de betalende deelnemers aan sportactiviteiten donateurs te noemen waardoor de pas vorig jaar verworden ANBI-status kan worden behouden?

Vraag 6: Zou de staatssecretaris het opofferen van de verenigingsdemocratie als gevolg daarvan niet betreuren?

Vraag 7: Wat is het verschil tussen sociaal en algemeen belang?

Vraag 8: Een groot aantal organisaties zal de ANBI-status kwijtraken. Ook organisaties waarvoor mensen giften en schenkingen met notariële akten hebben vastgelegd. Wat gaat hiermee gebeuren? Zijn deze giften na de wetswijziging voor de gevers niet meer aftrekbaar?

Vraag 9: De huidige ANBI’s zijn veelal ook opgenomen in nalatenschappen. Welke consequenties heeft het verlies van de ANBI-status voor reeds vastgelegde legaten?

 

Naar ons idee is de discussie over de grenzen en aansluiting van ANBI en SBBI onvoldoende gevoerd. Evenals de discussie over de noodzaak van de invoering van de SBBI. Het is belangrijk dat bij de invoering van deze wet wel duidelijk is wat ANBI’s en SBBI’s zijn, wat hen onderscheidt en waar ze op elkaar aansluiten, en niet te wachten op jurisprudentie hierover.

 

De onduidelijkheid bij definities en de gevreesde willekeur komt prominent naar voren bij niet commerciële dorpshuizen, waarvan niet individuele burgers de leden zijn maar organisaties. De Vereniging (of Stichting) Dorpshuis fungeert hier als een faciliterende koepel. Ten onrechte worden deze dorpshuizen als voorbeeld voor een SBBI genoemd.

 

Vraag 10: Waarom is de staatssecretaris niet bereid om de begrippen ANBI en SBBI zo goed mogelijk te definiëren om te voorkomen dat jarenlange onzekerheid en willekeurige toepassing door de Belastingdienst?

Vraag 11: Is de staatssecretaris zich bewust dat daarmee de particuliere sponsoring van maatschappelijk onmisbare organisaties sterk wordt ontmoedigd?

Vraag 12: Is de Kamer bereid om voorafgaand aan het instellen van SBBI’s een debat of hoorzitting te organiseren tussen de Kamer en maatschappelijke organisaties over (de betekenis van) algemeen nut en sociaal belang?

 

Periodieke giften niet meer voor SBBI

Er komt geen specifieke giftenaftrek voor SBBI’s, in de beantwoording van de staatssecretaris wordt dit beargumenteerd door te wijzen op het enorme aantal SBBI”s dat gaat ontstaan, waardoor de giftenaftrek een te groot budgettair beslag op de begroting zou gaan leggen en teveel administratieve lasten met zich mee zou brengen. In de praktijk kunnen SBBI’s echter wel voor aftrekmogelijkheid van periodieke giften in aanmerking komen.

 

Het antwoord van de staatssecretaris zorgt voor onduidelijkheid rond het systeem van periodieke giften. Op pagina 65 wordt de relatie SBBI en periodieke gift beschreven ‘de periodieke giften aftrek is niet gekoppeld is aan de SBBI maar aan de Wet inkomsten belasting’. Later (Blz. 71) schrijft de staatssecretaris over de relatie ANBI en periodieke gift: ‘slechts een beperkte groep van instellingen die niet uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beogen, komt niet meer in aanmerking voor de ANBI-regeling. Daar past bij dat ook de aftrek van de periodieke giften in de periode dat de instelling niet aan de nieuwe voorwaarden voldeed, vervalt.’ Dit doet vermoeden dat in de Wet inkomstenbelasting de regels voor de periodieke giftenaftrek voor niet ANBI’s gaan veranderen en dat deze vorm van inkomsten voor niet-ANBI’s komt te vervallen.

 

Wij snappen niet dat de regering er voor kiest om het geven in Nederland steeds meer aan banden te leggen, ja zelfs te ontmoedigen. Wil de volksvertegenwoordiging daar aan meewerken?

 

Vraag 13: Is het de bedoeling van de staatssecretaris bij het Belastingplan 2010 de wet IB zo aan te passen, dat zelfs het door middel van periodieke giften steunen van niet-ANBI Verenigingen/Stichtingen niet meer voor aftrek in aanmerking komt?

Vraag 14: Is er niet sprake van een zekere rechtsongelijkheid wanneer een ( meestal niet onbemiddelde) bestuurder van een ANBI-instelling, bijvoorbeeld een fonds, wel kan afzien van zijn vrijwilligersbeloning en deze als gift in de IB-sfeer kan aftrekken en dat de VUT-bouwvakker bij de renovatie van zijn clubgebouw van een SBBI-instelling dat niet kan?

 

Onduidelijkheid voor gevers werkt nadelig uit voor niet-ANBI’s

Voor gevers/schenkers/erflaters is het belangrijk om te weten of de begunstigde organisatie wel of niet vrijgesteld is van schenkings- en/of successierecht. Zij willen weten of de fiscus al dan niet meeprofiteert van hun gift/legaat, zij nemen dat in hun overweging voor schenken/geven mee. De staatssecretaris kiest er voor SBBI’s niet in een register te registreren. Een gevolg hiervan is dat gevers niet op voorhand weten of de ontvangende partij als SBBI gekwalificeerd wordt en dus vrijgesteld is van schenkingsrecht.

 

Uit de antwoorden blijkt dat de beschikking voor SBBI van geval tot geval en achteraf beoordeeld wordt en dat dit de verantwoordelijkheid is van de inspecteur. Hiermee wordt in de hand gewerkt dat er in Nederland bij gelijke organisaties verschillend beschikt zal worden.

 

Alleen voor ANBI’s wordt het register gehandhaafd, zodat de indruk kan ontstaan dat voor alle overige organisaties (clubs en verenigingen) geen vrijstelling bestaat. Ze worden immers nergens genoemd! Potentiële schenkers kunnen zich daardoor minder goed oriënteren en zullen voor de zekerheid vaker voor schenking aan een ANBI kiezen. Dit werkt erg nadelig uit voor alle organisaties die buiten deze regeling (gaan) vallen.

 

Het vrijstellen van SBBI’s van schenkings- maar ook successierecht vraagt om een duurzaam beleid en een duidelijke wet. Juist binnen testamenten worden wensen voor de (hopelijk) verre toekomst vastgelegd. De onduidelijkheid over het al dan niet kwalificeren staat hier haaks op.

 

Vraag 15: Is het vanuit het oogpunt van de gever niet noodzakelijk te weten dat zijn legaat, schenking bij een als SBBI erkend doel aankomt? Is met andere woorden in dat geval een register niet noodzakelijk? 

Vraag 16: Zal er geen willekeur ontstaan als de beslissing wel/geen SBBI aan de diverse Inspecteurs wordt overgelaten?

 

BTW

De antwoorden van de staatssecretaris op de vragen rond BTW geven ons aanleiding toch nog enkele opmerkingen te maken. De staatssecretaris antwoordt: ‘In de btw dient het economisch gelijke immers in principe ook gelijk te worden behandeld. Anders ontstaan er scheve verhoudingen en zullen benadeelde ondernemers terecht kunnen klagen’ (Blz. 65). In de wet van 1996 werd op basis van de toen geldende verhoudingen door de wetgever een drempelbedrag vastgesteld. We vragen niet meer dan handhaving van dit drempelbedrag door middel van indexatie. Het niet aanpassen leidt ons inziens tot terecht klagende verenigingen. Het is overigens normaal dat drempelbedragen elk jaar bij het Belastingplan worden aangepast. De argumentatie dat ‘een te ruime vrijstelling tot juridische problemen leiden, omdat de vrijstelling ook vanuit de EU regelgeving niet tot verstoring van de mededinging mag leiden.’ noopt te zeggen dat eventuele verstoring er bij invoering in 1996 ook was, aanpassing leidt niet tot meer verstoring nu. Bovendien zou de Staatssecretaris bij inwilliging van ons eerdere voorstel juist in de pas lopen met de voorgestelde EU-regelgeving. Hierbij verwijzen we naar het rapport: Report on the role of volunteering in contributing to economic and social cohesion( 2007 2149)INI. Committee on Regional Development o.l.v. Marian Harkin.

 

Vraag 17: Is de weigering van de staatssecretaris om de drempel voor BTW- vrijstelling voor kantines/bars van verenigingen en stichtingen op hetzelfde peil te houden als door de wetgever in 1996 vastgesteld, kortom indexatie van het drempelbedrag, niet in strijd met de aanbevelingen van het EU report on Volunteers en ook niet strijdig met de aangenomen motie Omtzigt/Cramer?

Vraag 18: Is het realistisch om bij een eventuele aanpassing van deze drempel in de toekomst deze mede afhankelijk te stellen van de goedkeuring van de Horeca? De staatssecretaris heeft bij de beslissing om sinds 1996 niet te indexeren toch ook niet om de instemming van de gedupeerde verenigingen gevraagd?

 

Meer informatie krijgt u bij Els Berman, eberman nov.nl , 030 789 20 46.