Mag WW’er toch aan de slag bij buurtbus?

29 juni 2015

In de eerste zes maanden van de nieuwe regeling WW en vrijwilligerswerk heeft het UWV vrijwilligers die bij een buurtbus aan de slag wilden dat niet toegestaan. Na overleg met provincies, gemeenten, de op te richten koepel voor buurtbusverenigingen en Vereniging NOV, staat het UWV dat nu wel toe. Mits de buurtbusverenigingen voldoen aan de voorwaarden van de regeling.

De afwijzingen van het UWV vonden plaats op de veronderstelling dat de vrijwilligers hun vrijwilligerswerk niet voor de buurtbusvereniging doen, maar voor de vervoersmaatschappij. Na overleg met provincies, gemeenten, de op te richten koepel voor buurtbusverenigingen en Vereniging NOV heeft het UWV opnieuw gekeken naar hoe  zij om wil gaan met buurtbusverenigingen. Het UWV heeft alsnog besloten dat zij onvoldoende grond hadden om te veronderstellen dat de vrijwilligers eigenlijk voor de vervoerder werkten. Dit omdat de verenigingen doorgaans zelf werven en ook zelf de dienstregeling bepalen.

Bij verzoeken om vrijwilligerswerk te doen bij een buurtbusvereniging zal het UWV daarom de buurtbusvereniging toetsen aan de voorwaarden van de regeling.

Alles oké nu?

Mogen vrijwilligers nu bij alle buurtbussen aan de slag? Het antwoord is dat ze dat niet zo maar mogen. Simpel gezegd: 

  1. moeten de buurtbusverenigingen de ANBI-status hebben of aan de voorwaarden van SBBI voldoen;
  2. moeten de werkzaamheden uitsluitend door vrijwilligers worden uitgevoerd;
  3. moet een eventuele onkostenvergoeding onder de fiscaal toegestane maxima liggen.

 

Vraag een ANBI-status aan!

Het is voor buurtbusverenigingen (net als voor andere vrijwilligersorganisaties) waarschijnlijk zaak om een ANBI-status aan te vragen. Mochten er daarbij problemen ontstaan, dan horen we dat graag via ons Meldpunt WW en Vrijwilligerswerk. Controleer hier of uw organisatie misschien al de ANBI-status heeft.

Evaluatie regeling

Vereniging NOV, NOC*NSF en het ministerie van SZW zouden in mei de huidige regeling evalueren. Na een eerste overleg verwachten we voor de zomer een eerste onderzoeksvoorstel van het ministerie, dat de evaluatie financiert. Op basis van de meldingen van ons eigen meldpunt, constateert Vereniging NOV:

 

  1. Het UWV heeft soms moeite met het achterhalen van de ANBI-status, bijvoorbeeld in geval van een ‘Vrienden-van-Stichting’, het vinden van de overkoepelende organisaties, of onbekendheid met de status van organisaties zoals het COA. Wat hier duidelijk niet bij helpt, is dat de terminologie ook niet altijd bekend is bij de mensen (van vrijwilligersorganisaties) die te maken krijgen met de WW’ers die vrijwilligerswerk willen doen. En dat werkcoaches niet de tijd (kunnen) nemen om echt onderzoek te plegen.
  2. Er zijn organisaties die problemen hebben met het verkrijgen met de ANBI-status, bijvoorbeeld omdat bestuursleden te hoge vacatiegelden krijgen. In de NOV-meldingen betrof het een welzijnsorganisatie met overduidelijk vrijwilligersprojecten.
  3. Er zijn organisaties die wellicht in aanmerking komen voor de ANBI-status, maar daar nog nooit over nagedacht hebben en dat eigenlijk ook niet hoeven vanuit het perspectief waarvoor de ANBI-status in het leven is geroepen. Zij zouden dus alleen vanwege dit onderwerp de ANBI-status moeten gaan aanvragen.
  4. De beoordeling van de SBBI-status kan in de praktijk erg moeilijk zijn voor UWV-medewerkers omdat de Belastingdienst hier geen register van bijhoudt, maar (in theorie) per gift beoordeelt of de organisatie in kwestie een SBBI is. Ook de Belastingdienst vindt het moeilijk om te bepalen wat een SBBI is.
  5. Er zijn organisaties waar vrijwilligers hetzelfde werk doen als betaalde krachten, maar dan anders georganiseerd, voor een ander aantal uren, en in een andere positie. In dit geval zal het werk nooit helemaal niet-betaald zijn, terwijl het wel om echt vrijwilligerswerk gaat. Hier gaat de regeling dus zijn doel voorbij.
  6. In de praktijk komt nog steeds voor dat het UWV iemands aanvraag weigert op basis van de sollicitatieverplichting of beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt. Het UWV getuigt niet altijd van een realistische visie op wat mensen verhindert te solliciteren of aan het werk te gaan als er een kans is. Het lijkt er dan haast op dat het UWV niet de macht heeft mensen te verplichten een baan aan te nemen en dus het vrijwilligerswerk moet verbieden. Dit kan natuurlijk niet zo zijn, aangezien op het niet aannemen van een baan korting op de uitkering volgt.
  7. In het veld is er duidelijk frustratie over dat de positieve invloed van vrijwilligerswerk op de kansen voor de arbeidsmarkt niet erkend lijkt te worden.
  8. In bijna alle gevallen is er frustratie over onbereikbaarheid van het UWV, het telkens weer een andere behandelaar van het dossier hebben en de (ogenschijnlijk) lakse en snelle manier van negatief besluiten.